De zomertijd werd in 1916 in Duitsland en kort daarna in Nederland en België ingevoerd met één concreet doel: steenkool besparen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De redenering was logisch voor een samenleving die zich met gaslantaarns en gloeilampen verlichtte. Schuif de avond een uur op, en je hoeft een uur minder kunstlicht te branden. Dezelfde logica werd in 1977 opnieuw van stal gehaald, toen Nederland en België — na de oliecrisis — de zomertijd herinvoerden om elektriciteit te besparen.
Het probleem: de wereld waarvoor die redenering klopte, bestaat niet meer. Verlichting is sinds de jaren tachtig steeds efficiënter geworden, eerst met spaarlampen, daarna met led. De grootste energiepost in een gemiddeld huishouden is geen verlichting meer, maar verwarming, koeling, warm water en elektrische apparaten — en juist op die posten heeft de stand van de klok nauwelijks invloed.