In de Brusselse impasse zijn de standpunten van de lidstaten nooit officieel uitgekristalliseerd, omdat er nooit gestemd is. Maar uit nationale debatten, parlementaire uitspraken en deskundigenadviezen tekent zich een beeld af. Permanente wintertijd wordt voorzichtig gesteund door Duitsland, Nederland, Polen, Tsjechië, Slowakije, Denemarken, Zweden, Finland en de Baltische staten. Permanente zomertijd geniet voorkeur in Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, Cyprus en Malta. Frankrijk, België en Oostenrijk zitten in het midden.
Dat noord-zuid-patroon is geen toeval. Hoe noordelijker je woont, hoe groter het verschil tussen zomer- en winterdaglicht, en hoe nuttiger het ochtendlicht in de winter wordt. Hoe zuidelijker je woont, hoe gelijkmatiger de daglengtes het jaar door zijn, en hoe meer de avondkant van de zomer als economische factor weegt. De keuze tussen permanente zomer- en wintertijd is daarmee een keuze tussen geografische perspectieven, niet tussen objectief goed of fout.
Een gezamenlijke EU-keuze zou een compromis vergen tussen die twee perspectieven. Dat compromis is in zeven jaar tijd niet gevonden. Het meest waarschijnlijke scenario — als het er ooit van komt — is dat de Raad lidstaten toestaat zelf te kiezen, mits ze hun keuze coördineren met directe buren. Dat zou een kaart opleveren waarin Noord-Europa op permanente wintertijd zit en Zuid-Europa op permanente zomertijd, met een tijdzonegrens die ergens door Frankrijk of Oostenrijk loopt. Logistiek complex, maar geografisch wel verdedigbaar. Wat er nodig is voor zo'n besluit blijft echter onveranderd: een meerderheid die er nu nog niet is.